Kettingen


    
Een hoofdstuk uit de roman Zolang het duurt
J.M. Meulenhoff

    
    ________
    
     René van Delft
    
    

    
    
    
    
      
Het gebeurde bijna nooit dat ik samen met mijn vader van de bank af rolde van het lachen. Misschien legden we het er wat dik bovenop om mijn moeder te stangen. Die had al een paar keer een opmerking gemaakt over André van Duin: simpele humor voor simpele mensen. Haar gemopper had ons plezier ook kunnen vergallen, maar deze keer had het een tegenovergesteld effect. Ik zat nog te grijnzen op de fiets en ik gedroeg me nonchalanter dan anders toen ik het huis van de familie Oostgeerde binnenkwam.
     Worrie maakte vieze geluiden toen ik zijn kamerdeur opendeed. Pas toen ik wat beter keek, zag ik dat er een zwart draadje uit zijn neus hing.
     — Getver, zei ik, wat doe jij nou?
     Worrie snoof, slikte, schraapte zijn keel en zei:
     — O, niks. Ik heb dit stukje garen door mijn neus gehaald en door mijn mond weer naar buiten gekregen.
     Nu zag ik dat hij inderdaad een nat draadje beet hield dat uit zijn mond kwam. Om te bewijzen dat het om hetzelfde draadje ging, trok hij er voorzichtig aan, en ja, ik zag het andere eind omhoog gaan, zijn neus in. Hij legde uit hoe hij het voor elkaar gekregen had: touwtje in neus frommelen, naar binnen krijgen door ‘op te halen’, inslikken, weer omhoog rochelen en met je vingers uit het kwijl trekken. Nu was hij van plan — de volgende fase — om het eind dat uit zijn mond hing, van binnen uit, door het andere neusgat te krijgen.
     — Je bent hartstikke gestoord, jij, zei ik met een lachend, maar van walging vertrokken gezicht. Hoi, ik ga maar weer eens, ik zie je nog wel.
     In de gang draaide ik me om en met een natuurlijk gebaar, dat mijzelf verbaasde, klopte ik aan bij Toika’s kamer.
     Van beneden klonk de stem van mevrouw Oostgeerde, ze riep dat het licht in de gang uit moest. Snel drukte ik op de schakelaar.
     Ik was nooit bij Toika binnen geweest, al was ik er wel heel nieuwsgierig naar en had ik zeker bepaalde gedachten als ik langs haar deur liep. Het was niet duidelijk, maar ik dacht dat ik haar hoorde antwoorden op mijn geklop. Om niet verlegen over te komen deed ik snel haar deur open en stapte naar binnen. Ze zat met haar rug naar de deur in kleermakerszit op haar bed. Wist ze dat ěk het was die binnen kwam?
     De geur van wierook leidde mijn blik naar het gloeiende puntje. Het staafje was in de aarde van een plant gestoken — zo’n palmachtig ding, een yucca, of een dracena — die op de vloer in de hoek stond.
     In de bijna nadrukkelijk aanwezige stilte durfde ik bijna niet te ademen. Overal hingen lappen en doekjes die elk geluid smoorden. Het was schemerig. Alleen een paar kaarsen bij het hoofdeinde van het antieke bed verlichtten de doeken en de exotische frutsels die hier en daar hingen en lagen. De zware gordijnen lieten alleen bovenaan een paar streepjes licht door van de straatlantaarns. Op een donkere lap die in het midden van het plafond hing zat een sieraad geprikt: een zilveren schijf met drie grote grijszwarte veren.
     Zo’n indianentooi had ik vroeger ook gehad, maar dan van rood plastic en met witte veren. Er zat een rekbaar bandje aan vast, met kleine gekleurde stippels, en op de rode schijf zelf was vreemd genoeg nňg eens een indianenhoofd in reliëf geperst: het gestileerde profiel van een langharige man met een grote neus en trotse lippen. De rand was rondom versierd met een rij bolletjes, die wittig en pluizig werden als je er met je nagel over kraste, zo zacht was het materiaal.
     Mijn haren prikten er altijd door in mijn ogen, maar om een of andere reden vond ik dat mijn pony per se onder het bandje door moest. En meestal was het niet zo erg, want ik hield bij die gelegenheden het liefst mijn ogen tot spleetjes gesloten.
     Voor zover ik me kan herinneren speelden we bijna altijd alleen met jongens op straat, dus die ene keer dat er een meisje meedeed waren we woester dan ooit. Ricky Bergwijk sloeg helemaal door. Met een opgezwollen rood hoofd schreeuwde hij dat het meisje geofferd moest worden. Ze moest aan de boom op het veldje vastgebonden worden en hij zou haar slachten voor God. (In het dorp werden de indianenverhalen moeiteloos verbonden met de bijbelverhalen.) De anderen reageerden een stuk matter; niemand gunde Ricky dat hij zomaar aan dat meisje zou mogen frunniken. Maar de enige die er werkelijk iets van zei was ik. Waarschijnlijk ontleende ik die moed aan mijn witte veren, en aan de haren die op mijn voorhoofd jeukten en prikten, benauwd als een masker. Het was passend dat ik Jannie zou redden.
     — Ik zal haar plaats innemen, zei ik hard en toch statig, met een vuist op mijn hart en een open hand omhoog. In de stilte die volgde ging ik verder:
     — Volgens de wetten van onze stam mag dat. Je kan het haar niet gedogen.
     Er was iets dat ik niet helemaal goed zei, maar het maakte grote indruk. Ook dat we een stam waren, met wetten zelfs, dat was voor iedereen een verrassing. Ricky voelde feilloos aan dat hij er volgens die zelfde wetten niet tegen in kon gaan. Hij werd nog roder en wees langzaam naar de boom, vastbesloten om wraak te nemen voor mijn vrijpostigheid. Jannie keek met grote ogen en open mond naar wat er gebeurde. Ze vreesde zo duidelijk voor mijn leven, dat ik, terwijl ik naar het boompje liep, even heel bang werd. Ik keek naar de flats, die uitkeken op het grasveld. Als het uit de hand liep, kon ik altijd nog hard gillen.
     — Ik ga je ketenen, riep Ricky. Hij bond het gemeen dunne paktouw strak om mijn polsen achter de boom. Ik had wel eens gelezen dat de held zijn spieren spande als hij vastgebonden werd, zodat er wat speling bleef. Nu zijn polsen over het algemeen niet zo gespierd, maar ik deed mijn best om ze een beetje uit elkaar te houden. Ricky maakte het niet zoveel uit. Hij zette eenvoudig zijn knie er op, zodat ik mijn pezen op mijn botten voelde knakken, en trok het touw bijna door mijn vel.
     Er werd zinloos gejoeld en gedanst. De jongens keken met minachtende gezichten naar hun weerloze gevangene, maar ik voelde me groots en sterk, ik was het nobele middelpunt, ik had ze allemaal verslagen. Ik probeerde de bewonderende en trotse blik van Jannie op te vangen, maar zij was weggelopen.
     Ricky kwam voor me staan. Woedend vanwege mijn triomfantelijke uitdrukking. Zelfs als hij me slaat, dacht ik, zelfs dan heb ik gewonnen. Ik maakte me al klaar voor de gemene stomp die hij in mijn onbeschermde buik zou planten. Zo’n fatale klap waarbij de benauwdheid het van de pijn wint. Je kan wel een beetje adem halen, maar het lijkt niets te helpen: je blijft stikken. Voorovergebogen hangen is het enige dat mogelijk is, en je zal nooit meer overeind komen. Toch bleef ik me, ondanks de dreiging van het geweld, de meerdere voelen. Dat ik daar stond, bewees mijn vrijheid om de gang van zaken te beïnvloeden.
     Hij stond even doodstil met koele, berekenende ogen en samengeknepen lippen. Hij sloeg niet. Maar ineens rukte hij de veren met bandje en al van mijn hoofd. Hij glimlachte en trok de drie veren een voor een uit het rode plastic schijfje, draaide aan het schijfje zelf totdat ook dat loskwam, zette toen zijn voet in het bandje en duwde tot alle rek er uit was. Onverschillig liet hij alles in het gras vallen. Nu was ik geen verslagen of triomferende indiaan meer, maar een jongetje dat erg voor lul stond, aang­estaard door flats van vier-hoog. Niet mijn haren prikten nu in mijn ogen, maar mijn tranen. Het duurde nog lang voor iemand me losmaakte.
     — Wat is er? zei Toika rustig. Ze had zich nog niet omgedraaid. Dacht ze dat ik Worrie was? Ik moest iets zeggen om te laten merken dat ik het was. Na haar woorden was de stilte weer zo absoluut, dat ik me er niet toe kon zetten om haar te doorbreken.
     Het kaarslicht gaf een warme gloed aan het dunne, paarse, mouwloze shirt dat ze droeg. Haar blote knieën waren aan weerszijden van haar slanke lichaam te zien. Ik kon de onderkant van haar rug zien. Was haar broekje een beetje afgezakt? Ze maakte zo’n kuil in het zachte bed dat ik het niet goed kon zien. Ze droeg toch zeker nog wel iets? De onverwachte mogelijkheid dat haar onderlichaam naakt zou zijn liet me een beetje trillen. Dit wou ik helemaal niet, tenminste, niet in het echt; ik had vaak genoeg aan haar blote lichaam gedacht terwijl ik als genadeloze heerser over mijn fantasie eenzaam in bed lag.
     Terwijl zij zich begon om te draaien, ging ik snel met mijn rug naar haar toe staan, zei zo achteloos mogelijk ‘hallo’ en bestudeerde de spulletjes die aan de muur hingen en op het tafeltje lagen. Verschillende gebatikte dunne doekjes waren in sierlijke plooien met spelden aan het behang geprikt, en daaraan hingen weer ringetjes, ansichtkaarten en oorbellen. Het tafeltje zelf lag helemaal vol, maar niet rommelig: alles zag er uit alsof het precies op die plaats hoorde. Een zwarte ketting op een rode fluwelen lap in het midden. Een paar kleine boekjes tegen de muur aan: kinderverhaaltjes, een boekje met Aziatische tekeningen en een bijbeltje in donker leer met een piepklein koperen slotje.
     Van de twee rechthoekige blikken die naast elkaar stonden tegen de muur was er een gesloten. In het andere lagen vloeitjes, een zwart pijpje en een paar plastic zakjes met hasj er in. De staafjes die ik zelf kocht waren altijd verpakt in zilverpapier. Ik had liever die luchtdichte zakjes gehad, met van die grappige sluitingen: een sleuf en een ribbeltje die je heel vaak in elkaar kon drukken en weer open trekken voordat ze kapot gingen. Toen ik het later in het pand naast de HTS kocht, kreeg ik eindelijk ook van die mooie zakjes en tegen die tijd was het zelfs gebruikelijk dat het blad van de marihuana-plant er groen en duidelijk op afgebeeld stond.
     Ik wist niet dat Toika ook gebruikte. Worrie had het wel een paar keer geprobeerd, maar die leek er niet veel aan te vinden. Bij mijzelf zat er een duidelijke structuur in: van weinig naar steeds vaker, en toen weer afdalend tot een stabiel niveau. Ik ben er nu zo aan gewend om minstens elke ochtend en avond een joint te roken dat ik het soms spuugzat ben. Het leuke en interessante is er nu wel van af, en ik denk dat ik er binnenkort eens mee stop.
     De eerste keer was klassiek: in de fietsenstalling aan het schoolplein verleid worden door dealers die de eerste gratis geven. Alleen waren het geen echte dealers, maar slungelige vijfde-klassers die stoer wilden doen tegenover een tweede-klasser. Ik wilde graag laten zien dat ik niet hoefde te hoesten bij het roken, dus ik nam de taps-toelopende sigaret zo onverschillig als ik kon aan. Pas tijdens het kletsen met de vijfde-klassers, wat ik op zich al eervol vond, merkte ik dat er iets raars was. De jongens waren rustig en vrolijk tegelijk en namen me serieuzer dan ik voor mogelijk had gehouden.
     Zij pakten hun fiets en gingen naar huis. Ik zwaaide ze na met een diepe, brede, stralende glimlach, die bleef hangen toen zij al lang uit het zicht verdwenen waren. Ik draaide me langzaam om en dacht: ik ga het plein op. Ik bleef nog even staan. Dacht nog een keer: ik ga het plein op. Schoot in de lach. Vroeg me glimlachend af wat er toch te lachen viel. Keek om me heen. De overdekte fietsenstalling was al bijzonder komisch, maar haalde het niet bij het plein. En het plein was op zichzelf heel grappig, maar bij het idee dat ik daar straks overheen zou gaan lopen viel ik bijna letterlijk om van het lachen.
     Ik greep me vast aan de gegalvaniseerde stutten van de overdekking en voelde hoe zwaar mijn lichaam was. Er zat een gat in een van de grijze golfplaten. Ik snoof diep en liet mijn hoofd hangen. Volgens mij is er iets, dacht ik. Is alles nu echt zo lachwekkend, of is er iets met mij? Ik concludeerde dat het niet aan mij kon liggen: van een stickie werd je stoned, dat wist ik, je werd er rustig en cool van, dus dat ik zoveel plezier had om de fietsenstalling en moest schokken bij de gedachte aan het schoolplein, dat kon daar niet mee te maken hebben. Het lag dus aan de dingen zelf. Dat ik dat nooit eerder gezien had. Als het plein al zo’n grap was, dan moest het hele leven wel erg meevallen.
     Ik dacht weer: ik ga het plein op. Deze keer zag ik de gedachte in drukletters voor me in de lucht hangen, als een misplaatste ondertiteling, die traag in beweging kwam, om daarna zachtjes naar links en omlaag te zweven, als een stijf herfstblad. Ik moest toegeven dat dat erg humoristisch was, maar het plein was toch nog een graadje geestiger.
     Ik ging het plein op. Het was groter dan ooit. Even groot als de blauwe lucht die er boven hing. Alleen jammer dat het plein geen meer was: een groot meer van cola, want ik had ineens veel dorst gekregen. Mijn tong, die maar heel langzaam bewoog, schoof hard en met kleine schokjes langs mijn verhemelte, als rubber tegen steen. Het was wel jammer die dorst, maar toch ook erg grappig.
     Op het midden van het plein stond ik stil en keek naar de grote blokkendoos. Het gebouw bestond uit drie kubussen die met de hoeken tegen elkaar een somber rijtje vormden. Onder mijn linkerarm had ik mijn dikke leren schooltas geklemd. Het was nog een brugpieper-tas — in dit jaar kwamen we er een voor een achter dat je zo snel mogelijk een ander soort tas moest zien te krijgen, als je tenminste niet voor een ukkie uit de eerste klas wou worden aangezien. Ik liet mijn tas vallen en precies op dat moment zag ik dat er mensen: leerlingen en leraren, uit de ramen van het gebouw keken. In mijn verbeelding stonden ze zich voor alle ruiten te verdringen, maar in werkelijkheid hoeven het er maar twee of drie geweest te zijn. De ernstige, of zelfs woedende gezichten van de leraren lieten me zo hard lachen dat ik slap, als een marionet zonder touwtjes, op de stenen viel.
     Er kwam in het tegenlicht van de zon iemand op me af lopen. Niet een boze docent of rector die mij eens flink bestraffend toe kwam spreken, maar een jongen, die op een muurtje bij een van de ingangen een boek had zitten lezen. Hij stak glimlachend zijn hand naar me uit, om me te helpen met opstaan. Ik had vaag het idee dat het inderdaad niet zo goed was voor mijn schoolcarričre om daar te blijven liggen, maar ik kon mijn arm met de grootste moeite niet omhoog krijgen. Zeker toen ik zag dat de jongen die nacht op zijn linkerkant had geslapen, werden al mijn spieren week als yoghurt.
     Niet alleen zijn haar zat gek, maar ook zijn kleren waren raar. Hij had twee verschillende sokken aan — een geitewollen— en een tennissok —, een heel wijde broek (die mode was toen net begonnen) en daarboven een goedkoop lichtblauw T-shirt: scheefgetrokken in de was en met een klein gaatje op zijn buik.
     Hij zat in een andere klas, maar hij was me al bij verschillen­de gelegenheden opgevallen. Op het fietspad langs de rijksweg werd er, al fietsend, vaak gestoeid door de schooljongens. Ik had al een paar keer gezien hoe hij, schaterend, de tas van een klasgenoot van zijn fiets had getrapt.
     Nog meer indruk maakten de pogingen van diezelfde jongens om elkaar van de weg te duwen. Wie toegaf zou in het ergste geval tegen de vangrail van de rijksweg terechtkomen, of, aan de andere kant, in de sloot. Minder erg was het om in de berm te stranden, maar dan had je wel verloren. Het resultaat was dat twee jongens schouder aan schouder doorfietsten, om steeds schever te gaan hangen, klauwend naar elkaars sturen. Als geen van beiden het opgaf, zouden ze uiteindelijk allebei op het asfalt ploffen en bovendien een kettingbotsing van schoolkinderen veroorzaken. Misschien was het toeval, maar de keren dat ik hem bezig had gezien, had die ene jongen steeds gewonnen. Het leek me ontzaglijk dwaas, om alles af te laten hangen van het risico dat de ander bereid was om te nemen en ik deed aan die wilde toestanden niet mee.
     Ook had ik hem wel eens de aula in zien komen. De zaal, misschien dertig bij veertig meter, had rondom trappen die afdaalden naar het grote middengedeelte, waar de stoelen stonden als er een voorstelling of weekopening was. Het kan aan de rest van zijn klas gelegen hebben, maar zijn groep bleef bij de binnenkomst aan het begin van de pauze nooit onopgemerkt. Niet alleen renden en gilden ze, maar ze gooiden ook hun tassen als lompe bowlingballen van de ene hoek, waar de ingang was, over het geboende linoleum naar de tegenoverliggende hoek, tot ze met een doffe klap tegen het podium tot rust kwamen.
     Worrie trok me aan mijn slappe arm omhoog en zei:
     — Ben je dronken?
     Ineens besefte ik dat mijn merkwaardige positie en gedrag toch echt door het roken van de wiet moest komen en verbaasd over mijn eigen naïveteit lachte ik hem hard in zijn gezicht. Hij grinnikte terug, pakte mijn tas op en trok me van het plein af. Door zijn vriendelijkheid en vrolijkheid dacht ik een tijd lang dat ook hij onder invloed verkeerde.
     — Hé, ben jij het? zei Toika, heel verrast en zelfs een beetje blij.
     — Ja, Worrie is onsmakelijke experimenten aan het uitvoeren. Vind je het erg dat ik zomaar binnen kom vallen?
     Ik bleef tegen de muur en het tafeltje spreken. Achter me hoorde ik een kast open gaan, een kleerhangertje op de grond kletteren en toen ze even later naast me stond had ze een donkerblauwe kimono aan.
     — Sta je m’n dingetjes te bewonderen?
     — Moet je dat spul niet een beetje verbergen?
     — O, dat? Nee, m’n vader komt hier nooit en m’n moeder weet niet wat het is. Misschien zou ze het niet eens erg vinden.
     Ik begreep dat ze de kimono meer voor mijn verlegenheid had aangetrokken dan uit preutsheid. Terwijl ze zich vooroverboog naar het tafeltje viel de jas open. Ik ademde langzaam in.
     — Kijk, dit is mijn pronkstuk. Hij is van onyx, dat betekent nagel. Het is een kopie van het snoer van Indra. Als je heel goed kijkt dan zie je dat elke steen alle andere weerspiegelt.
     Ik had liever in de schaduw tussen de panden van haar kamerjas willen staren, maar in plaats daarvan boog ik me diep over de ketting en ik bekeek de zwarte ronde stenen stuk voor stuk. Ze waren ongeveer even groot; harde konijnekeutels. Ze glansden aardig, maar ik kon er niet meer weerspiegelingen in ontdekken dan van de naaste buursteentjes. Tussen de kralen zelf zag ik een dunne rode draad.
     — Schitterend, zei ik. Maar wie is die mevrouw of meneer Indra?
     — Dat zeg ik niet. Gaat je niks aan. Nou goed dan: het is de koning der goden. Heb je daar genoeg aan?
     Ze zei het licht spottend, met buiginkjes in haar dunne, hoge stem, maar wat er grappig aan moest zijn, ontging me. Het kon me ook niet echt boeien, wie of wat Indra was; het was een willekeurige naam voor me en dat zou het blijven ook. Eigenlijk had ik een hekel aan mensen die zo maar met vreemde namen strooiden. Ik had altijd het gevoel gehad dat een naam iets was waar je heel voorzichtig mee moest zijn.
     Toen Worrie en ik in het derde jaar in dezelfde klas kwamen gingen we bijna automatisch naast elkaar zitten. Onszelf voorstellen deden we niet, maar dat was ook niet nodig, want die eerste weken werd elke keer een presentielijst voorgelezen en bij de naam Ben Oostgeerde stak Worrie met een sloom gebaar, een beetje alsof hij de Führer groette, zijn arm omhoog.
     Een van de eerste dingen die mij opvielen, was dat hij regelmatig Engelse woorden en zinnetjes gebruikte: sure, ‘scuse me en don’t worry. Vooral het laatste deed hij nogal vaak, zodat Michel Verkerk hem al gauw met Worry, en later met een meer Hollands uitgesproken ‘Worrie’ aansprak. Een gewoonte die snel door iedereen, inclusief mijzelf, opgepikt werd, hoewel het aanspreken in de klas toch meestal met ‘hé’ gebeurde.
     Behalve de echte pesterijen herinner ik me vooral de vele flauwe grappen waar iedereen elkaar mee bestookte. Natuurlijk ontelbaar veel verwijzingen naar sex, maar er waren ook wel kleine practical jokes. In Dordrecht was een ‘fopwinkeltje’ waar je van alles kon kopen, van afgehakte hoofden tot pilletjes die je in iemands drankje moest doen, waarna er een grote papieren worm uit te voorschijn kwam. Er waren nepdrollen en scheetkus­sens — platte ballonnen die met een vies geluid leegliepen wanneer je er op ging zitten — die je onder het kussen of onder de poten van een stoel moest leggen. Ook jeukpoeder en niespoeder waren erg geliefd, maar het laatste leidde eerder tot brandende ogen dan tot niesen. Ik had ook de indruk dat er met kinderlijke vriendelijkheid meer op de ogen dan op de neus werd gericht.
     De nieuwe juffrouw van Duits begon pas de derde week. Misschien zag ze er zo slecht uit vanwege de ziekte waar ze nog maar net van genezen was, maar het kon achteraf gezien ook van de zenuwen geweest zijn. Op de middelbare school ging ik er van uit dat de docenten nooit zenuwachtig waren; zoals het in die tijd ook een illusie van me was om te denken dat het allemaal slimme, ontwikkelde mensen waren. Als juffrouw Buitendijk slim was, dan liet ze het die eerste les niet merken.
     Ze stond al een tijdje hysterisch te piepen, voordat we eindelijk op onze plaatsen zaten. Het leek of ze ons met haar vuurrode hoofd en opengesperde ogen wilde hypnotiseren, zo starend liep ze langzaam zijwaarts naar het bureau. We waren wel stil, maar eerder omdat we gefascineerd waren door haar verschijning, dan omdat we onder de indruk zouden zijn. Haar halflange blonde haar stond op een vreemde manier wijduit, alsof ze precies wist wat het volgend seizoen in de mode zou komen. Haar jurk getuigde, in grote tegenspraak met deze frivoliteit, met grijze en groene blokken en strepen van een droevigstemmende ouderwetsheid, zodat we niet meteen wisten in welke hokje de juffrouw zou moeten passen. En was dat wanhoop, op haar gezicht?
     Bij haar stoel aangekomen riep ze hard ‘aha’ en pakte iets van de zitting. Ze bekeek het aandachtig voordat ze het in de hoogte stak. Het was een punaise met een klein briefje er aan gestoken. Ze keek nu zo triomfantelijk dat de hele klas zich in een enkel gevoel verenigd wist: pure haat. Zoveel haat dat er niet eens ruimte was voor een beetje walging of minachting. We wisten nu in welk hokje ze hoorde: het hokje van mensen die gepijnigd moesten worden. Ze leek niets te merken van onze kille blikken, die een normaal mens toch harder moesten steken dan een punaise ooit zou kunnen. De lijst met namen lag al op haar bureau en ze liet haar vinger er langs glijden. Afwisselend keek ze naar het papiertje en de lijst, maar blijkbaar vond ze niet waar ze naar zocht. Met nog steeds hetzelfde triomfantelijke gezicht zei ze:
     — Geen smoesjes, ik wil weten wie dit gedaan heeft. Wie is Worrie?
     Als de klas niet zo op een gemeenschappelijke vijand gericht was, dan waren er genoeg blikken en omgekeerde hoofden geweest om Worrie te verraden. Maar het was niet eens nodig. Na een korte, intensieve stilte maakte Worrie zijn nonchalante Sieg Heil-gebaar. Juffrouw Buitendijk wenkte hem naar voren, gaf hem de punaise met het briefje en stuurde hem naar de rector. Dit alles deed ze met haar onuitstaanbare overwinningsgrimas.
     Worrie liep rustig naar de deur, maar nog voor hij de klink om had kunnen draaien ging de juf op haar stoel zitten en klonk het knallende geluid van een scheet door het lokaal. Eindelijk verdween de triomf van haar gezicht, maar de rode kleur bleef. Het was meer dan een spontane bulderlach die de klas uitbraakte. Sommigen vielen van hun stoelen, anderen schoven met hun tafels en stampten tijdens het gillen. Ook voluit stompen met de vuisten op de tafelbladen en trappen tegen de verwarming was geoor­loofd. Juffrouw Buitendijk bleef onder het rumoer, dat op hetzelfde volume eindeloos doorging, stijf rechtop zitten.
     Twee jongens brulden niet, maar ontblootten wel hun tanden in grote tevredenheid. Worrie stond rechts voorin met zijn hand op de deurknop, onzeker of hij nog naar de rector moest gaan of niet. In een flits verdacht ik hem er van dat hij zich veiliggesteld had door precies zijn eigen, nieuwe naam op het briefje te zetten. De rector zou dan wel begrijpen dat hij het dan juist niet gedaan zou hebben. Maar toen ik naar Michel keek, links achterin, was het onmiskenbaar dat hij de aanstichter en regisseur van alles geweest was.
     Juffrouw Buitendijk heeft nog twee weken lesgegeven, om daarna voorgoed overspannen te blijven.
     — Je bent een dromer, zei Toika.
     Ik tuitte mijn lippen en wachtte af; bedoelde ze daar nou iets goeds of iets slechts mee?
     Met haar hoofd scheef en nog steeds voorovergebogen ging ze verder:
     — Ik ben ook een dromer, maar ik droom de werkelijkheid.
     Het was me niet helemaal duidelijk wat ze wou zeggen, maar dat ik volgens haar een dromer was leek als compliment bedoeld. Misschien zag ze wel iets heel verhevens in me; ik moest in geen geval laten merken dat ik naar haar blote onderlichaam wou kijken.
     Ik wees naar het gesloten verweerde blik dat op het tafeltje stond en zei:
     — Zitten daar nog meer verdovende middelen in?
     — Guttekegut, wat zijn we nieuwsgierig. Ga je blozen als ik zeg dat mijn tampons daar in zitten? Wees niet bevreesd kleingelovige. Het zijn ouwe dooie spinnen. Kijk.
     Met een zacht kloink trok ze het deksel er af en schudde ze wat stoffige zwarte diertjes op het rode fluweel binnen de cirkel van de ketting. Van de meeste spinnen waren verscheidene poten afgebroken, sommige hadden zich tot een kleine bol opgerold, maar van een grote stonden alle acht de poten wijd uit elkaar. Voorzichtig pakte Toika dit exemplaar op, legde het op haar handpalm en hield het voor mijn neus.
     — Als ze dood gaan nemen ze de foetus-houding weer aan, net als wij. Ik heb ze met haarversteviger ingespoten en met een wattenstaafje de poten uit elkaar gehouden. Met een pincet gaat het geheid mis, dan breken ze allemaal. Afschuwelijk, al die moeite. Het was een stomme hobby.
     Met een nauwelijks hoorbaar gekraak kneep ze het kleine geraamte tot stof en schilfers.
     Ik zei:
     — Vond Worrie het leuk dat je die beestjes bewaarde?
     Ze sloeg dubbel met een onverwachte snelheid en maakte een gnagna-lachgeluid. Zo natuurlijk en onbeschaamd was het, dat ik zelf ook in de lach schoot.
     — Wist je dat? zei ze, dat hij zo bang is voor spinnen? heeft hij je dat verteld? Dat gekke joch. Ik heb hem er vaak mee gepest. Was dat nou vóór— of nádat hij er bang voor werd? Belachelijk, dat truttige gedoe. Terwijl het van die schattige beesten zijn. Je moet eens zien hoe vertederend ze in die zelfgepoepte touwen kunnen klimmen.
     Haar kamerjas wapperde wild toen ze haar benen kromde en met haar handen snelle graaibewegingen in de lucht maakte.
     Het was meer een vreemde dans dan dat het aan klimmen deed denken. Spinnen konden me niet zo boeien, maar wat klimmen betrof achtte ik mezelf een expert. Ik was ontelbare keren op de daken van openbare gebouwen geklommen. Een vreemde wereld van grind en lood vanwaar je veel mensen kon bespieden zonder dat ze jou zagen. Als Roos kwam logeren ging ze mee. Worrie had meer de neiging om de bomen in te gaan. Liefst zo hoog mogelijk en met zo veel mogelijk spring en slinger mogelijkheden. Toen ik hem ontmoette waren we te oud om zomaar in de bebouwde kom Tarzan te spelen, maar als we de polders in fietsten en langs boomgaarden kwamen, zaten we al snel boven in een perenboom.
     In zo’n boom hangend en kletsend nam ik het eerste dure woord van hem over: associëren. Zodra ik doorkreeg wat de betekenis er van was maakte ik er snel en nonchalant een stopwoordje van: oh ja, dat associeer ik met zus en dat associeer ik met zo, maar uit mijn ooghoeken bleef ik hem in de gaten houden, of hij niet merkte hoe het woord me van m’n stuk bracht. In een klap werd namelijk de chaos in mijn hoofd geordend: het waren geen willekeurige overwegingen en spontane beelden meer, maar er zat ineens — hoe losjes ook — een systeem in. Tot dan toe zweefden mijn gedachten, verlangens, angsten als vage wolken langs en door elkaar heen, maar ineens leek ik een veld te kunnen overzien waar de dingen netjes uit elkaar werden gehouden, terwijl door hun plaatsen hun onderlinge relaties zichtbaar werden. Ik kreeg iets meer greep op mijn eigen ideeën. Waar­schijnlijk niet zoveel als Worrie zelf: die bleef altijd de lijn van het gesprek en van zijn gedachten vasthouden. Dat bleek elke keer als hij zei: hoe kom ik hier nou op?, om vervolgens alle stapjes op te noemen tot hij bij het beginonderwerp kwam.
     Het was alsof er door deze openbaring een extra laag in mijn bewustzijn was ontstaan; ik dŕcht niet meer alleen maar iets, maar tegelijkertijd was ik me er van bewust dat ik die gedachte had en kon ik me er over verbazen.
     Worrie ging nog veel verder, door ook elke keer kritisch, of zelfs venijnig, over zijn eigen gedachten na te denken. Of ze wel ergens op sloegen, of ze niet van andere mensen afkomstig waren, of ze elkaar niet tegenspraken, of er zinvolle variaties mogelijk waren, enzovoorts. Toen ik dat voor het eerst merkte, was ik wel geboeid, maar ook een beetje terughoudend. Ik had wel eens gehoord van een filosoof die had durven twijfelen aan alles wat gewone mensen goed en normaal vinden. Die man — was mij verteld — had zo huiveringwekkend diep nagedacht, dat hij er krankzinnig van geworden was. De laatste tien jaar van zijn leven was hij een kwijlend en grommend dier geworden en moest hij door zijn familie verzorgd worden. Ik vroeg of Worrie dat wel wist, van die filosoof. Hij moest er om lachen en zei:
     — Ja, van te diep nadenken krijg je altijd een of andere ziekte. De waarheid kan heel gevaarlijk zijn.
     Worrie was een van de weinigen bij wie ik me op mijn gemak voelde, maar vreemd genoeg was ik in het begin ook een beetje bang voor hem. Niet alleen omdat ik het vermoeden had dat ik te gewoon was, naar zijn maatstaven gerekend, maar bovendien dacht ik, helemaal aan het begin, dat hij mijn gedachten kon lezen. En toen hij voorstelde om het associatie-spel te spelen, stemde ik er wel mee in, maar zonder veel enthousiasme. De bedoeling was om beurtelings een woord uit te spreken dat je associeerde met het voorafgaande. Worrie wilde dat om te controleren of alle associatielijnen inderdaad naar sex en dood leidden, zoals hij wel eens iemand had horen beweren.
     Het zogenaamde spelletje kwam er in de praktijk op neer dat ik wanhopig alle woorden die ook maar iets met sex of dood te maken konden hebben probeerde te vermijden. Dat leek me het veiligste. Het liefst wou ik er zo snel mogelijk mee stoppen, maar ik zag geen manier om dat te doen zonder mezelf verdacht te maken.
     De boomgaard zag er verwaarloosd uit. De bomen leken zelfs stoffig. De peren — meer grijs dan groen — waren hard als bot en je kreeg ze pas los als je er hard aan trok, of wanneer je ze rond bleef draaien. Als je ze op de grond liet vallen gaven ze een doffe bonk. Ik kraste met mijn duimnagel in de stam.
     Worrie hield zich vast aan een tak boven hem, terwijl hij de tak waar hij op stond ritmisch liet doorbuigen. Hij begon:
     — Hout.
     — Wortels.
     — Aarde.
     — Zand.
     — Steen.
     — Hé, Worrie, d’r zitten dikke spinnen in de boom.
     Ik had het in volmaakte onschuld gezegd, maar het effect was schokkend. Terwijl hij zijn hoofd met een schok omhoog bracht om naar de tak te kijken die hij beet hield liet hij hem met beide handen los. Hij sloeg om zich heen, raakte twijgen en bladeren, bleef nog even met een been hangen, draaide in de lengte gestrekt om zijn as en viel plat op de grond. Twee peren ploften naast hem neer.
     Het bleef naar stil terwijl ik me zo snel mogelijk naar beneden liet zakken. Nu is hij blind, dacht ik. Als mensen op hun stuitje vielen zouden ze blind worden. Ik had daar altijd al eens het bewijs voor willen zien. Dood of blind, dacht ik. Ik rook mijn eigen zweet, vermengd met de geur van schors, die vooral van mijn rode handpalmen afkwam. Bang en nieuwsgierig boog ik me over Worrie heen.
     Met wijd open ogen keek hij recht naar de hemel. Met kleine zuchten zoog hij lucht naar binnen; ik zag zijn borst in kleine schokjes omhoog komen. Hij kreunde lang en zacht tijdens het uitademen, nam toen weer een flinke hap zuurstof en begon voluit te lachen. Een heerlijke bevrijdende lach was het. Ik liet me naast hem op de grond zakken. We bleven zwijgend in het gras liggen.
     — Sta jíj even onbeschaamd naar mijn blote kut te staren, zei Toika triomfantelijk, haar armen nog boven haar hoofd.
     Ik wou haar niet in de ogen kijken, maar ik kon me ook niet nog eens naar de muur wenden. Waar ik mijn blik ook op zou richten, het zou altijd getuigen van lafheid. In paniek bleef ik naar de zwarte pluk haar kijken. Ik hoorde de stem van mijn moeder: mannen denken nergens anders aan, het ěs gewoon zo. Op de binnenkant van Toika’s bleke rechterdij zaten kleine puistjes. Ik hoopte dat ik niet bloosde, of, als het zo was: misschien zou ze het niet zien. Mijn mond ging open en ik haalde adem om iets te zeggen. Maar wat viel er te zeggen? Probeer je wel vaker jongens verlegen te maken? Wil je sex? Leuke krulletjes heb je?
     De deur ging open. Gretig draaide ik me om. Worrie kwam binnen, zijn mond strak gesloten. De zwarte draad was verdwe­nen. In plaats daarvan zag ik uit beide neusgaten een stukje van zijn zilveren ketting hangen. Hij had die ketting met een kruisje er aan normaal om zijn nek hangen. Allebei de eindjes verdwenen in zijn mond. Uit zijn linkeroog liep het spoor van een traan.
     Zonder zijn uitdrukkingsloze gezicht verder te veranderen trok hij plotseling zijn onderkaak naar beneden en stak hij zijn tong uit, zodat het kruis naar buiten viel en iets onder zijn kin bleef slingeren. Hij wenkte, draaide zich om, en ik liep achter hem aan, nog even verontschuldigend mijn schouders ophalend tegen Toika, alsof ik gedwongen was om naar de andere kamer te gaan.