Fragmenten uit twee hoofdstukken uit Het wezen moet verschijnen van René van Delft

Poeder



Mevrouw Wilnis probeerde minstens dertig jaar jonger te lijken dan ze was, en voegde er op deze manier twintig lentes aan toe. Mocht zij de oudste inwoner van Nederland blijken te worden, dan was zij nu toch duidelijk, en niet ongeschonden, op driekwart gekomen.
     Als ik verstand had gehad van parfums, had ik waarschijnlijk kunnen zeggen dat het een goedkope was die zij droeg. Nu kon ik alleen maar botweg een verstikkende geur constateren. Eerder een wolk van onzichtbaar poeder dan een etherische accentuering en kleuring van de atmosfeer rond haar lichaam. Ook de meubels en gordijnen leken rijkelijk besprenkeld, wat mijn vermoeden van de lage prijs bevestigde.
     ‘De politie was zo snel weer weg,’ zei ze bestraffend en teleurgesteld.
     Ze lachte, alsof ze met een enkele blik meteen al kon vaststellen dat ze mij niet zo makkelijk hoefde te laten gaan.
     ‘U heeft Sikke Brouwer de straat op zien rennen, ongeveer een halfuur voordat u ontdekte dat mevrouw Keldonk dood in haar woonkamer lag. Toch?’
     ‘De achtergrond,’ zei ze, ‘daar gaat het om. U moet eerst de context horen. Wilt u een kopje thee? En zullen we elkaar tutoyeren? Ik heet Els.’
     Nee, dacht ik, geen gejij, geen context, maar feiten. En dan wegwezen.
     ‘Ja, graag, Els,’ zei ik, ‘als je genoeg tijd voor me hebt.’
...

     ‘Je moet weten dat Juliet – mevrouw Keldonk is dat – iemand was met een ruim hart. Een ruim hart voor de kunsten, de filosofie en de wetenschappen, maar ook voor de jeugd.’
     ‘U – sorry –, je bedoelt dat zij geld gaf?’
     ‘Geld, ja, ook wel, maar het ging haar vooral om de liefde, dat was wat zij het meest wilde geven.’
     Ik liet dit tot me doordringen terwijl ik in mijn thee roerde. Suggereerde zij dat er iets met lichamelijke liefde was? Zo ja, hoe wist die tang dat?
     ‘Maar mevrouw Keldonk was toch ook al zo’n zeventig jaar?’ vroeg ik.
     Dit ‘ook’ kon ik niet meer inslikken, en leverde me strafpunten op via kil calculerende ogen.
...

     'Misschien een wat ruwe vraag: denkt u dat Juliet vermoord is?’
     Ze kneep haar ogen toe en speelde zo doorzichtig dat zij iets heel bijzonders in deze hele situatie zag dat ik ogenblikkelijk overtuigd was van het tegendeel.
     ‘Je weet nooit wat zich allemaal afspeelt achter gesloten deuren. Het zou mij niet verbazen als het hier om een crime passionnel gaat. Juliet maakte zo veel los bij de mensen, op alle gebieden. Ik weet dat die avonden soms een dolle boel waren, ik kon ze hier horen schreeuwen, lachen en debatteren. Voor mij was het natuurlijk allemaal veel te druk, al ben ik menigmaal gevraagd erbij te komen.’
     De leugen lag even dik op haar gezicht als de pancake. Mevrouw Keldonk was waarschijnlijk veel te slim om de studenten weg te jagen door eigen leeftijdgenoten uit te nodigen. Eén oudje is vertederend en interessant. Twee is een bejaardentehuis.

Derrida



Donderdagavond kwam een groep ijverige studenten samen in het huis van Schutijzer, waar ze wekelijks een soort leesclub hielden.
...

     Het werd zo rustig dat ik een aantal mensen door hun neus hoorde ademen. In de gewijde geluidloosheid begon een van de jongens langzaam zinnen voor te lezen waarvan het punt me meteen volledig ontging. Toen hij stamelend probeerde zijn uitleg te geven hoorden we een benauwd, naargeestig gekreun van achter uit het huis.
     ‘Excuseer,’ zei Schutijzer en hij stond op om in de andere kamer te verdwijnen.
     Sommigen spraken fluisterend verder. De meesten keken peinzend in hun boek of op de kopieën. Zo goed mogelijk probeerde ik de discussie te volgen. De Franse schrijver, Jacques Derrida, had het over zich ‘laten regelen door de ontregeling’. Volgens de een sloeg dit op de ergernis die de filosoof wilde opwekken bij zijn lezers, volgens de ander was dit een concrete manifestatie van ‘negatieve theologie’.
...

     Het gesprek verliep traag: iedereen leek gegrepen door een sterke onzekerheid en hoogstens werd door sommigen sceptisch het hoofd geschud of uiterst langzaam instemmend geknikt bij wat een ander ervan dacht. Ook Schutijzer zei af en toe iets en viel verschillende studenten bij. Een meisje zei, bijna in trance, zo sloom: ‘Het gaat hier volgens mij om het zwijgende spel van het fonetisch schrift. De differantie… is… niet…’
     Dat was geen Nederlands, maar een raar, nieuw woord: differantie. Uit de opmerkingen om me heen begreep ik dat deze ‘differantie’ iets moest zijn van een diep kosmisch geheim, een kern of bron van alles, waarvan onduidelijk was of deze nu bestond of niet.
     Er volgde een intens diepe stilte waarin bijna iedereen aan zijn hoofd zat: vingers tegen voorhoofden, kinnen die werden gesteund, oorlellen die werden uitgerekt. Flarden van zinnen werden zacht uitgesproken en behoedzaam tegengesproken. Ik raakte helemaal de kluts kwijt. Wanhopig probeerde ik de klanken te negeren en ik stortte me op de woorden van de tekst. Wat stond er? En waarom deed iedereen zo moeilijk? Was het echt zo onbevattelijk? Maar hoe konden ze iets zo serieus nemen als ze er zo weinig van begrepen?
     Langzaam drong tot me door wat de strekking was van de eerste twee pagina’s. Derrida had zijn lezing Différance genoemd. Dat wil zeggen: het Franse woord différence, normaal gesproken met drie e’s, maar deze keer – zoals hijzelf erbij zei – met een grove spelfout. Ik moest wel goed kijken voor ik de letter a zag waar eigenlijk de tweede e hoorde te staan.
     Nu snapte ik waarom een van de studenten eerder had opgemerkt dat het een aardige vertaling was geweest om de lezing Het versgil te noemen. Het ging namelijk om een verschil tussen twee woorden dat niet te horen was, maar alleen op papier te zien, en waarmee een soort onafhankelijkheid van de geschreven tekst aan het licht kwam.
     Grappig.
...

     Ik schudde verbaasd mijn hoofd over zoveel lef en absurde gedachtesprongen en ik kon een brede glimlach niet meer onderdrukken. Dit was een openbare lezing, stond erbij, voorgelezen voor de top van de Franse filosofen, een stelletje hyperintellectuelen van wie verwacht werd dat ze deze nogal willekeurige, bijna kinderlijke wendingen volgden. Mijn bewondering steeg, maar kon niet verhinderen dat ik een bibberend gesnuif losliet.
     In de grafstilte van deze kamer, waar meer gelezen dan gesproken werd, viel dit onmiddellijk op en ik merkte dat iedereen naar me keek. In uiterste krachtsinspanning probeerde ik mijn gezicht in de plooi te houden, maar de ernst van de blikken om me heen maakte het allemaal nog veel erger.
     In een flits drong de volle omvang van de grap tot me door: tijdens een lezing sprak Derrida over het onhoorbare verschil tussen twee woorden, waarmee hij voortdurend zijn luisteraars in de war moet hebben gebracht en geërgerd. Wat hij deed was, zoals hij eerlijk toegaf, een totale ontregeling voor zijn toehoorders regelen met zijn zelfverzonnen woord of liever: met zijn eigenwijs volgehouden spelfout. Niemand kon horen wanneer hij het gewone, echte woord bedoelde of juist zijn eigen, blijkbaar zeer diepzinnige, maar tegelijk hilarische variant.
     Een korte, maar harde proest ontsnapte aan mijn mond. Ik keek de mensen om me heen aan en wilde een verontschuldigende opmerking maken, maar er kwam niets. Zari zat volop naar me te grijnzen, de rest zag er voornamelijk gegeneerd uit. Timo was alweer aan het kleuren, Schutijzer keek verbaasd en wat wantrouwig terwijl recht tegenover me een meisje me giftig zat aan te staren.
     Een jongen las voor, hees van ontzag: ‘Differantie is noch een woord, noch een begrip.’
     Ik brak. Ik schaterde het lawaaierig uit en kon niet anders dan mezelf schokkend achterover laten zakken. Ik gleed half onder de tafel voor me en probeerde iets uit te brengen als: ‘Sorry, let maar niet op mij, gaat zo over’, maar er kwamen alleen onverstaanbare brokken naar buiten, afgewisseld met een zeer kinderachtig klinkend ‘hihihi’.
     Toen het me lukte mijn spieren weer voldoende in bedwang te krijgen stond ik op, vroeg met verstikte stem aan Schutijzer: ‘Toilet?’ en liep meteen door de kamer naar de gang waar ik de wc vermoedde. In de badkamer lachte ik eenmaal hardop en bleef daarna diep ademend op de gesloten pot zitten, een verhoogd toilet, tot ik volledig rustig was.
...

     Glimlachend besefte ik dat ik op een nog nooit eerder meegemaakte manier volkomen leeg was. Een openheid waar geen woorden bij pasten. Een mentale frisheid waarin niets vastlag, maar waarin ook niets van alles wat losgeslagen rondzwierf in je hoofd zich onaangenaam opdrong. Een innerlijke stilte.

Teruglopend naar de studenten hoorde ik vanuit de achterkamer weer dat gekreun. Schutijzer kwam aanlopen en wurmde zich haastig langs me heen.

Het wezen moet verschijnen